Reflexen

Elke baby beschikt over een heleboel aangeboren impulsieve bewegingen.
Deze bewegingen noemen ze de reflexen.
Zo heb je onder andere de zuigreflex, de zoekreflex, de loopreflex en de valreflex. Iedereen heeft deze reflexen. Wanneer je de reflexen stimuleert, reageren deze automatisch. De ontwikkeling van de reflexen is het fundament van de ontwikkeling van een kind. Op het moment dat een reflex niet goed geïntegreerd is, kan de daarop volgende ontwikkeling vertraging op lopen of helemaal niet ontstaan.
Vandaar dat ook naar de reflexen gekeken moet worden of daar een blokkade vandaan komt.

Heeft je kind moeite met concentratie, lezen, schrijven, rekenen en/of motorische problemen?
De oorzaak hiervan zou de aanwezigheid van ongeremde primitieve reflexen kunnen zijn. Hierdoor is er geen automatische controle over de balans en motorische vaardigheden ontwikkeld. Dit kan veel aspecten van het leren negatief beïnvloeden. Vaak worden deze kinderen ten onrechte bestempeld als slordig, onhandig, hyperactief of ongehoorzaam. Ook kunnen er leerproblemen ontstaan.

Symptomen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van ongeremde primitieve reflexen
  • Het kind zit het liefste op één of beide benen.
  • Tijdens het schrijven ligt het hoofd van het kind bijna op de tafel.
  • Het hoofd wordt ondersteund met de niet schrijvende hand.
  • Het handschrift buigt naar beneden of boven aan het einde van de zin.
  • Tijdens het overschrijven worden er herhaaldelijk fouten gemaakt.
  • Het kind gebruikt de vinger of een liniaal tijdens het lezen of overschrijven.
  • Het overschrijven van het bord of uit een boek gaat erg langzaam.
  • Het kind heeft een verkrampte of vreemde pengreep.
  • Het kind ‘hangt’ altijd in de stoel met het hoofd achterover en de benen uitgestrekt.
  • Het niet kunnen stilzitten of niet kunnen stoppen met praten of geluiden maken.
  • Schrikken van harde geluiden.
  • Bij het fietsen draait het stuur bij omkijken mee.
  • Het kind plast boven de leeftijd van 5 jaar nog regelmatig in bed of in de broek.
  • Lezen gaat langzaam.
  • Tijdens het lezen beweegt hoofd mee met de gelezen woorden.
  • Het kind is ‘onhandig’, gooit bv. vaak drinken om.
  • Het kind kan niet of moeilijk: zwemmen, ballen vangen, fietsen, huppelen, gedifferentieerde bewegingen maken, touwtjespringen of evenwichtsspelletjes.
  • Letters en cijfers worden omgekeerd opgeschreven. Bijvoorbeeld b/d verwisseling.